Federatie van het Belgisch Vlees tegen Tierschutzbund Zurich en Animal Welfare Foundation (2023-2025)

Een vonnis van de rechtbank van Brussel van 17 februari 2025 wijst in scherpe bewoordingen een vordering tegen participatie aan een publiek debat af. Een belangenorganisatie uit de roodvleessector, de Federatie van het Belgisch Vlees, probeerde namelijk langs gerechtelijke weg twee kritische dierenrechtenorganisaties de mond te snoeren, maar ving bot. De belangenorganisatie eiste de verwijdering van de video en de betaling van een schadevergoeding van 26.500 euro. Bij tussenvonnis van 2 oktober 2023 werd een verzoek om voorlopige maatregelen verworpen : men vroeg dat de dierenrechtenorganisatie een videoboodschap van het internet zou halen, onder verbeurte van een dwangsom. Bij de belangenafweging wees de rechtbank erop dat de maatregel een ernstige inbreuk op de vrijheid van meningsuiting zou impliceren, terwijl de eiser niet aannemelijk maakte dat de video flagrante leugens of pertinente onwaarheden bevatte.

In de beoordeling ten gronde vindt de rechtbank het “evident” dat de vordering moet worden afgewezen. Het is immers “overduidelijk dat de vordering nooit enige kans van betekenis op slagen heeft gehad, gelet onder meer op de gestrengheid en terughoudendheid waarmee een vordering tot inperking van het fundamentele recht op vrije meningsuiting dient te worden benaderd”. Ook het argument dat het gebruik in de video van het logo van het merk een inbreuk op het merkenrecht van eiseres zou uitmaken wijst de rechtbank resoluut van de hand. Het vonnis stelt dat het voorkomen van een bepaald logo in een video met een standpunt inzake een maatschappelijk thema geen vorm van gebruik uitmaakt waartegen het merkenrecht bescherming biedt. Het vonnis stelt dat de middelen slechts werden aangevoerd “om de schijn te wekken als zou de eiseres met haar vordering daadwerkelijk het formele voorwerp ervan nastreven, terwijl het er haar in werkelijkheid duidelijk van meet af aan louter om te doen was verweersters - evenals mogelijks derden-medestanders die hun overtuigingen zouden delen - te intimideren met schadeclaims en te belemmeren in hun werking door hen nodeloos op kosten te jagen”. Volgens de rechtbank moet de vordering gezien worden als een “kwaadwillige sabotage van het publieke debat”. De rechtbank acht het misbruik maken van het gerechtelijk systeem, binnen een democratische rechtstaat bijzonder kwalijk en schadelijk, en kent ook een verhoogde rechtsplegingsvergoeding toe aan de verweerders. De rechtbank oordeelde dat een verhoogde rechtsplegingsvergoeding van 12.500 euro gerechtvaardigd was, op grond van de onredelijke situatie en de kosten waartoe het procesrechtmisbruik voor de verweerders heeft geleid.

Zie Jo Baert, “Rechtbank Brussel straft kwaadwillige sabotage van het publiek debat af", De Juristenkrant 30 april 2025, p. 1-2.