S. en DCS t. Bart Aerts en VRT (2017-…)
Een Terzake-reportage van 29 september 2017 en enkele twitterberichten (nu X) van een VRT-journalist zorgen voor een nu al lang aanslepende reeks procedures, zowel voor de burgerlijke rechtbank als voor de strafrechter. Aanleiding tot deze zaak is een kritische reportage op de VRT over het feit dat dhr. S. (naast anderen) de kans had gekregen om de bevoegde minister te adviseren over nieuwe regels rond vergunningen voor de BTW-afhandeling van aankopen door diplomaten. Daarbij werd gewezen op de bedenkelijke reputatie van dhr. S, die al meermaals was veroordeeld wegens ernstige (financiële) misdrijven en verschillende faillissementen achter de rug had, terwijl de nieuwe regeling net was ingegeven om fraude in de sector tegen te gaan. De reportage belichtte tevens dat de door dhr. S. opgerichte vennootschap nadien ook onder de nieuwe regeling een vergunning had verkregen. Na de uitzending werd het onderwerp uitgebreid overgenomen in andere media. De toenmalige minister van financiën distantieerde zich ook meteen publiekelijk van dhr. S., maar werd toch uitgebreid ondervraagd over de kwestie in de commissie Financiën (1).
Bart Aerts, één van de VRT-onderzoeksjournalisten die nadien ook enkele berichten op X over de reportage verspreidde, werd gedagvaard voor de rechtbank van eerste aanleg van Brussel wegens onrechtmatige en lasterlijke journalistiek. In deze burgerlijke procedure eisen dhr. S. en de betrokken vennootschap DCS elk een (provisionele) schadevergoeding van 100.000 euro van de journalist, in toepassing van artikel 1382-1383 (oud) BW. De VRT is vrijwillig tussengekomen in deze burgerlijke procedure.
Dhr. S. heeft nadien naast zijn burgerlijke vordering ook strafklacht met burgerlijke partijstelling ingediend tegen Bart Aerts. Aerts werd beschuldigd van laster, belaging en valsheid in informatica. Ten gevolge van die strafklacht werd de burgerlijke procedure opgeschort. Ondanks de vordering van het parket dat er geen reden tot vervolging was, verwees de raadkamer te Brussel de zaak toch naar de correctionele rechtbank van Brussel. Deze oordeelde in een vonnis van 7 juli 2023 dat er geen sprake was van laster of belaging, al zag de rechtbank wel een strafrechtelijke fout (valsheid in informatica) in een bericht op X van de journalist omdat hij de namen van enkele andere personen in een mailbericht verwijderd had. De rechtbank hield echter rekening met de intentie van Aerts om de privacy van de betrokkenen te beschermen en sprak een opschorting van de uitspraak gedurende een termijn van drie jaar uit. Er werd hoger beroep aangetekend en het hof van beroep oordeelde in een arrest van 11 maart 2025 dat berichten op X van de journalist over de reportage een geschreven of gedrukte meningsuiting inhouden waarvoor exclusief het hof van assisen bevoegd is. Aangezien de tenlasteleggingen onlosmakelijk betrekking hadden zowel op de berichten op X als op de Terzake-reportage, verklaarde het hof van beroep van Brussel zich over het geheel onbevoegd (2).
Dhr. S. tekende cassatieberoep aan. In een arrest van 21 oktober 2025 heeft het Hof van Cassatie dit beroep verworpen (3). Na het cassatiearrest hebben dhr. S. en de betrokken vennootschap de burgerlijke zaak uit 2017 opnieuw geactiveerd voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Eind november 2026 is een zitting gepland waarop vastgesteld zal worden of de zaak in staat is om gepleit te worden.
De combinatie van een burgerlijke en strafprocedure waardoor deze zaak nu al bijna 10 jaar aansleept, de beslissing om zich tot (één van de) journalist(en) persoonlijk te richten, de initiële vordering tot schadevergoeding van tweemaal 100.000 euro en de bijzonder zwakke juridische basis waarop de vorderingen van eisers steunen, mede in het perspectief van artikel 10 EVRM en artikel 19 van de Grondwet, maken dat deze zaak meerdere relevante kenmerken van een SLAPP-procedure vertoont. Meteen wordt dit één van de eerste zaken waarin toepassing kan worden gemaakt van de recente anti-SLAPP wet die op 22 juni 2026 in werking is getreden (4).
---
(1) Zie ook https://www.hln.be/binnenland/half-miljoen-gestolen-maar-minister-luisterde-naar-hem~ac3a13c0/ en Kamer, Verslag Commissie Financiën, zitting d.d. 3 oktober 2017, CRIV 54 COM 736, 21-29, https://www.dekamer.be/doc/CCRI/pdf/54/ic736.pdf.
(2) Brussel 11 maart 2025 (13e Kamer, correctionele zaken), S. t. Bart Aerts. Voor een goed overzicht van dit onderdeel van de procedure, zie Pol Deltour, “Hof van Cassatie rijmt twitterberichten en tv-reportage met persmisdrijf”, De Juristenkrant 2025/518, 5. Vgl. over de problematiek van het drukpersmisdrijf : Dirk Voorhoof, “Correctionele rechtbank kiest voor extensieve notie drukpersmisdrijf”, De Juristenkrant 2025/518, 3-4.
(3) Cass. 21 oktober 2025, Nr. P.25 0605.N, S. t. Bart Aerts.
(4) Wet van 30 mei 2026 tot omzetting van Richtlijn (EU) 2024/1069 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 betreffende de bescherming van bij publieke participatie betrokken personen tegen kennelijk ongegronde vorderingen of misbruik van procesrecht (“strategische rechtszaken tegen publieke participatie”), B.S. 12 juni 2026.